maandag, december 11, 2006

Laatste dag in Parijs, veel optredens, veel regen, daardoor nat geworden, maar ook in veel verschillende plaatsen geweest die op de een of andere manier allemaal net buiten de metroingang Ménilmontant lagen. Daar is Parijs op een hellend vlak gebouwd, of lijkt het een kapseizend schip, ter linkerzijde de café`s met de stoelen en tafetjes die naar de achterste muur zijn geschoven, ter rechterzijde de dames en de arabieren die zich aan de deurposten vasthouden, aan de lantaarnpalen, aan de schuttingen, ertussen, het verkeer, een stad kan niet zonder. Lawaai wordt eenvormig, zou je denken, verkeerslawaai is de wereldwijde noemer die te zamen met de smeltende poolkappen het begrip `grddlopfiststauaie` zijn bestaansrecht geven. Toch ben ik zeker dat het verkeer in Bamako en in New Delhi anders klinkt.

Het klinkt zelfs anders als het regent, of slagregent, zoals een paar dagen geleden bij Barbès. Daar wilde ik heen omdat een cassette van het Orchestre Nacional de Barbès lange tijd mijn favoriete was. Uren meegezongen.Aaa Loe Weeehee. Ik dacht dat Barbès ergens in de Magrebh lag, en dat dat alloewé arabisch was. Geen Franse geschiedenis zonder de rol van de verlichting te noemen, en het was inderdaad de makelaar Fred Voltaire die zijn apartement te huur aanbood niet ver van het metrostation; a louer, stond op het uithangbord.

Maar toen had ik er al een wandeling opzitten die bij Stalingrad was begonnen, langs grijs gedraaide straten met dichte vensters en het uitzicht over het vlakke noorden aan het eind ervan, over de spoorwegbrug die rariteiten, rozenkruisers, roestveinzers, zwartgurdingen met elkaar verbonden, waar ik minutenlang bleef staan in de opzwepende regen omdat ik niet uitgekeken raakte op het roestige landschap onder me, naar het Gare du Nord, daar onder het gesponnen koepeldak, dat over triljoenen tragische tranensporen langs de in onbruik geraakte jaren, vol van kartonnen dozen, mensen naar het lege einde aan de andere zijde bracht. Wat is politiek? Vergeten dat dit bestaat, door er constant aan te denken.

Ik ben nog eens terug gegaan. Het was zo megalomanisch mooi zoals de grote regenzwiepen met waaiend gebulder tegen de ruiten van het station sloegen, en daaronder het potkachelgevloek en -geknor van de spurtende auto`s, die in een saggerijnige armworstelimpasse waren geraakt met de voetgangers die het niet functionerende rode licht negeerden en als de ware sterren van deze veel te vroeg van ons heen gegane eeuw langs de straatverkopers liepen, blik in het kruisgat, hun oren vol met de `mrlbromrlbromarlbro` lokroep van een uitgegkdoloibidlqsuetrede markt.

En die geluiden staan allemaal op mijn cassette uit Parijs.