Doorgaan naar hoofdcontent
Inmiddels ben ik in Parijs aanbeland. En dan regent het. Straten reflecteren de neon, de café`s en restaurants gevuld, zit men aan kleine tafeltjes tegenover elkaar. Veel met de metro gereisd; de pas wordt sneller, zelfvertrouwen is een mantel die om je schouders wordt gehangen zodra je onder de grond verdwijnt. Niets dan hoofden en lichamen, ieder kijkt van zichzelf weg. Het Handkeaanse syndroom bekruipt me, te denken welke gedachten er in die hoofden omgaan. Veel gedachten worden verjaagd door geluiden. Veel kleine oorknopjes, kijken, stoppen en weer verder lopen. Verliefd op ieder model van de grote reclamefoto`s.

Ik zou naar de Eiffeltoren willen gaan, de Tuilerien, Versailles, plaatsen waarbij je je iets voorstelt. Ik merk dat ik zeker een paar duizend euro per maand op mezelf achterlig; het bord met het kopvlees, de salami ziet er net iets te aantrekkelijk uit. Honger om zeven uur `s avonds en net niet de 12 euro kunnen permitteren.

Ik loop en kijk naar de kerstverlichting, de lantaarnverlichting, de mooie noordafrikaanse vrouwen, de mooie vrouwen überhaupt, waarom? ze hebben donkere ogen, en het is warm waar ze lopen.

Arabische buurt, bananen en kebap, vlees in lichtbakken aan het trottoir, het silhouet van een gothische kerktoren achter de kleine gevels, dichtgetimmerde ramen, juist hier, iemand fluit, op de eerste wordt een gordijn opzij geschoven, een deur met bladderverf opent, de weg is afgezet, het trottoir onder een zandstorm verdwenen. De bar heet le soleil, mooi kapot, uren aan een tafeltje met een koffie, dat kan, maar dan liggen voor en na die uren andere uren.


Populaire posts van deze blog

Ik heb veel kleingeld de laatste tijd, allemaal verdiend bij optredens. Een deel daarvan laat ik uit mijn hand in mijn broekzak glijden. Het is maandag. Ik zou eigenlijk naar Prenzlauer Berg moeten fietsen en op de kopieermachine een flyercompositie maken. Daarvoor heb ik een woord nodig waarvan 'klang' de eerste lettergreep is. Het schiet me niet te binnen. De dag is fris en winderig, enigszins bewolkt. In de gang werkt een electricien. De voorbijrijdende trams fluiten soepel over de rails. De afgelopen nachten hebben de slijpers vonken uit het ijzer getoverd. Ik moet bij de post zijn om het pakje met ontrafelde cassettetape voor mijn klankkompaan Harold in Parijs af te geven. Harold had ik eerder dit jaar in Parijs in het echt meegemaakt. Tijdens een wandeling zag hij een sliert cassetteband die om een lantaarnpaal was gewikkeld. Zijn begoeting ("Ah") vereende verbazing over uitblijvend resultaat met de zekerheid dat met iedere wandeling zijn voorraad tapesalade z
Laatste dag in Parijs, veel optredens, veel regen, daardoor nat geworden, maar ook in veel verschillende plaatsen geweest die op de een of andere manier allemaal net buiten de metroingang Ménilmontant lagen. Daar is Parijs op een hellend vlak gebouwd, of lijkt het een kapseizend schip, ter linkerzijde de café`s met de stoelen en tafetjes die naar de achterste muur zijn geschoven, ter rechterzijde de dames en de arabieren die zich aan de deurposten vasthouden, aan de lantaarnpalen, aan de schuttingen, ertussen, het verkeer, een stad kan niet zonder. Lawaai wordt eenvormig, zou je denken, verkeerslawaai is de wereldwijde noemer die te zamen met de smeltende poolkappen het begrip `grddlopfiststauaie` zijn bestaansrecht geven. Toch ben ik zeker dat het verkeer in Bamako en in New Delhi anders klinkt. Het klinkt zelfs anders als het regent, of slagregent, zoals een paar dagen geleden bij Barbès. Daar wilde ik heen omdat een cassette van het Orchestre Nacional de Barbès lange tijd mijn fav
Philip ondertekent zijn post met `King of Wedding, in exile.` Hij heeft een jaar in deze wijk van Berlijn gewoond. Ik heb met hem afgesproken in de gallerie waar ik een paar dagen later zal optreden met mijn dictaphonevrienden en een contra-bassist. Waarom zo`n kunstkamer verstoken moet blijven van iedere vorm van gemoedelijkheid heb ik nooit kunnen begrijpen. Een fijne sofa, een luie stoel om in te hangen, een tapijt en een oude lampenradio die voor zich heen murmelt maken het wachten aangenamer, kon je denken. De brute realiteit bestaat uit een duister zijkamertje met een tafel en een paar computers, papieren en een koffiezetapparaat, in de kunstkamer zelf twee ongemakkelijke klapstoelen en een tafel vol ongezellige folders. En buiten was het natuurlijk te koud om op de houten bank te zitten. Ik had dus geen zin om in de metrocatacomben te verdwijnen en stel Philip voor een stuk te wandelen. Tijdens die wandeling vertelt hij honderduit. Op een koning in ballingschap lijkt hij niet,