vrijdag, augustus 25, 2006

Tibor, mijn klankvriend uit Innsbruck is inmiddels weer thuis in zijn warme huis aan de Inn, waar het naar vers gebakken broodjes ruikt. Hij heeft tien dagen lang hier in Schöneweide rondgelopen op zoek naar mensetende termieten en gebouwen met verhoogd instortingsgevaar. Die zijn allemaal gedocumenteerd. In de tussentijd hebben we ook nog nieuwe muziek gecomponeerd.

Die tijd had een dermate tussentijdelijk karakter dat hij op mijn vraag wanneer we nu eens eindelijk iets gingen doen, verbouwereerd antwoordde dat we al zeven "songs" hadden. Het zijn er uiteindelijk veertien geworden. Van een der liederen bestaan twee versies. Uiteindelijke som der produkten is dan vijftien.

De Cdr waarvan ik nu de covers behandwerk zal tien tracks bevatten plus een selectie van Tibors foto's. De overige klanken heb ik via internet naar vriend Jeff in Bethesda gestuurd. Ze bevielen hem goed genoeg om ze on-line op zijn label zeromoon te publiceren, titel: Diensteingang. Te downloaden hier

donderdag, augustus 24, 2006

Het trappenhuis galmt, maar heeft daarvoor geluiden nodig. Meestal stijgt de nahal van voetstappen en onderlips voortgebracht geroezemoes naar de vierde etage als een ziel op weg naar paradijselijkere oorden. Maandag 14 augustus, zo tegen drie uur des middags begin ik voor de zoveelste keer aan mijn twee vluchten treden durende afdaling naar de derde. En zing daarbij. Niet omdat mijn grote vriend Peter in Amsterdam voor de vijftigste keer verjaart, hem zend ik de gehele dag telepatische gelukswensen, maar vanwege de akoustiek.

Valeria kom ik een paar uur later tegen. We staan in een kringetje ergens in een knik van de vijftig meter lange gang. Of ik dat was die daar vanmiddag zong, het was iets Gregoriaans, of zo. Dat was het niet. Ik zong 'Crying in the chapel' van Elvis. Wil ik dat niet nog een keer zingen?. .."I saw you cryyyyying in the cha-ha-ha-pel," dus. Ze vertelt dat overmorgen, de 16de, Elvis dodesdag is. Ik draai me naar Julian, en zeg hem dat we dan als de wiedeweerga Elvisfilms uit het net moeten ophalen: de come-back in Las Vegas van einde jaren zestig, en Aloha from Hawaii, uit 1972.

Julians atelier/studio/ruimte/waddannook is een mengvorm van een gang in een studentenhuis drie jaar na de ruiming, een documentatiecentrum voor sovjet-activiteiten, dat sedert 1989 in onbruik is geraakt en de werkplaats van iemand die deze kamer heeft gevonden. De overheersende kleur - zwart-wit - is onder een meellaag verdwenen. Het uitzicht is formidabel: Vier grote vensters openen op de Spree, daarachter het fabrieksterrein van een oude brouwerij, dat langzaam door bomen en struiken dichtgroeit en nog verder Treptow, met zijn witte woontorens die als paddestoelen zonder hoed uit het groen steken. "Meinst du dieser, come back concert, Las Vegas, 1969?"

Een half uur voordat Elvis voor de dertigste keer wordt begraven, kijken we naar de muur waarop de beamer de eerste concertfilm projecteert. Ik zie niet wat ik verwacht: Elvis in latex, alleen in een boksring. Maar deze is ook extreem onderhoudend. Elvis - zwart leer - is terug uit Hollywood. Met hem op een podium zitten de muzikanten uit de sunstudioperiode - rode countryhemden. Het is dus veertien jaar later. Dat zie je aan de kapsels van de jonge vrouwen die allerbevalligst in amazonezit op de podiumrand zitten. Achter hen is duisternis. Dezelfde duisternis heerst ook in het geheugen van de man die aanvankelijk de electrische gitaar speelde. Elvis zingt de gitaarpartij uit jailhouserock. Bij het volgend nummer hebben ze de gitaar gewisseld.

Na deze is 'Aloha' aan de beurt, en zie ik met stijgende verbijstering hoe Elvis voor de eerste keer wordt begraven. De film begint semi-documentair en toont Elvis' aankomst op Hawaii. In het begin van de jaren zeventig veranderde toon en stijl in de grote filmwereld. Zweetdruppels kwamen binnen camerabereik, er werd vaak tegen het zonlicht in gefilmd met alle verwazende gevolgen vandien, het geluid leek direct van de straat afkomstig. Dit alles gaf niet alleen een suggestie van bedrijvigheid, maar meer nog dat het filmisch medium eindelijk was doorgedrongen tot de oorsprong van een historische gebeurtenis.

De dag na de Elviswake fiets ik over de Frankfurter Allee, een brede straat die in 1956 werd gebouwd en volstaat met elegante etagewoningen die met de term Stalin-architectuur worden gediskwalificeerd. Een breed gazon scheidt het asfalt van het flaneerdeel, waar je honderden meters lang onder het loof van de lindenbomen kunt wandelen. Of fietsen. De vogels zingen de koorpartijen. Ik zing al uren lang " Burning Love." Stalinallee wordt Karl Marx Allee vanaf het punt waar twee torens de toegang vormen naar een geidealiseerde toekomst. Ooit liep de straat dood op een muur. Achter die muur lag het ghetto. Maar dat is een andere historische suggestie.

De filmen verdwijnen niet uit mijn geheugen. In het jaar 2001 bezocht ik de Verenigde Staten en verbleef drie maanden in Louisville in Kentucky. Dat is niet Memphis, maar toch al een end in de richting. Ik bemerkte dat ieder huis een veranda had met op die veranda een schommelstoel of -bank. ik zag ook dat veel vrijstaande huizen van hout waren, ook als de houten planken van aluminium waren gemaakt. Ik zag veel bomen, als een monument aan het landschap dat de pioniers ooit hadden gevonden. Mij overviel een zelfde soort pioniersgedachte in de menage die ik had met BC. Haar huis had onmiskenbaar huifkarkwaliteiten, ook al reed ze als een bezeten in haar pick-up.

Elvis is door een zwarte huishoudster opgevoed, zei Julian. Die opmerking bracht genoeg landschap, maar ook een zekere traagheid, en zeer zeker een directe verbinding naar stoffige wegen, grote armoede, de zwoegende aankomst van de moderne tijd met het licht, de locomotief en de auto, lang voordat bioscopen het warme gebied onder de petticoat blootlegde. Dat was de wereld waar de opname uit 1969 naar verwees. Alles in Elvis' gedrag, zijn innemende humor, het ritmisch geklos op de houten podiumvloer, de vergeetachtigheid van de leadgitarist verwees naar die tijd.

Drie jaar later ontstond de Elvis die tot op de dag van vandaag wordt geimiteerd. Het pak dat Elvis in Hawaii droeg was een verschrikking. Het overgrote deel van de nummers die hij zong waren een belediging voor zijn carrière. De band was geheel in wit. Het jaar was 1972. Geen enkele van de witte bandleden zou je de aanwezigheid bij een Vietnam-demonstratie toevertrouwen, geen enkel zwart bandlid een zwarte panter sympathie. Ergens in de schaduw meende ik een deelnemer aan de 1969 sessie te herkennen. Zeer beteuterd gezicht, bijna als van de cokeverslaafde die zijn moeder niet onder ogen durfde te komen. Het was allemaal zo warme appelmoes, zo custard pudding met te weke amandelkoekjes, zo wanneer gaan we hier weg.

Over de poses die Elvis aannam, zijn pak, de potsierlijke cape die hij aan het eind van het concert in het publiek wierp, doch eerder ver van zich afgooide, de stomme kroon die hij weigerde op te zetten zou een kunsthistorica een boek kunnen schrijven. Zij hoeft slechts plaatjes te bekijken van byzantijnse koningen en kroningen.
Over de moord op Elvis die met deze immagedwang aanving, een image dat nodig was om een tegenwicht te bieden aan de revolutionaire hippiebeweging, zal wel nooit iemand schrijven. Elvis leeft namelijk nog.

donderdag, augustus 17, 2006

De keuken klopte niet bij mijn aankomst. Je kon zien dat er niet geleefd werd. En er hing een geur van verwezing. Meestal draaide ik me in de deuropening weer om en liep naar de dichtsbijzijnde Döner. Maar een aantal gebeurtenissen heeft er voor gezorgd dat er iets veranderde.

De eerste gebeurtenis was ikzelf. Een tiental dagen lang was ik de enige bewoner. Een deel van de tijd besteedde ik aan de schoonmaak. Toen werd op een dag het tweepits electrisch gasstel met zijn onafkrabbare vetlaag vervangen door een vierpitter met oven, die blinkend wit was bovendien. De vensterbank stond al vol met kruiden. De vaatdoek werd iedere week gewassen en niet eerst nadat hij van ellende uit zichzelf in de cilinder van de wasmachine was gekropen. De spinnen weefden noest verder aan hun webben, dat wel, maar ik vind spinnen gezellig.

Nu is sedert kort Maki hier, een Japanse uit Tokio, maar dan uit Londen. Ze praat graag en veel en lacht daarbij heel aanstekelijk. Ze heeft ook heel veel bewegingen die ik als pose van oude Japanse prenten al ken. Zij ook. Ze verbaasde me tijdens een uiteenzetting over het Japanse hofleven in de zestiende eeuw met een feilloze uitbeelding van de klassieke pose die de hofdames toentertijd oog in oog met de tekenaar aannamen. Ik viel bijna uit mijn stoel.

Maki, dus, heeft nieuwe sponzen gekocht, en nieuwe afwisdoeken en afwashandschoenen (rose) en heeft de hele dag eraan besteed om ook de laatste resten vetlaag en vuiligheid weg te werken. En natuurlijk honderduit te babbelen als er weer eens iemand in de keuken was. Zoals Emanuele, die uit Italië is teruggekeerd met een plastic ex-mineraalwaterfles gevuld met abruzese olijfolie, direct van de boer. Gelukkig zie ik die fles niet al te vaak.

Daar zaten we dan met zijn drieën in de keuken. Ik, omdat ik al redelijk verslaafd was aan het zachte Engelse accent, haar lach en al de woorden die ik maar half verstond, en Emanuele, omdat voor Italianen de keuken van levensbelang is. We waren hier nog maar pas, en we wisten van iedereen zo ongeveer wat hij deed, maar wat doe jij eigenlijk Emanuele? Die vraag werd gesteld met uitzicht op de daken en gebouwen westelijk van ons; in het vervagende midden, dat niet alleen vanwege de ongewassen vensters en de talloze spinnenwebben vervaagde, stak de zendtoren op de Alexander Platz uit. Zijn domme rose bevlekte sponsorbal was duidelijk zichtbaar.

Emanueles handen trilden, terwijl hij vertelde dat hij naar diverse locaties in de stad was gereisd om daar uit zijn werken voor te lezen, brieven waren het, in het Italiaans geschreven en aan Duitsers gericht. Hij was ook naar Ostkreuz gegaan, de warrelmoes van perrons en sporen die noord-zuid en oost-west over en langs elkaar lopen. Het is een hoogst aantrekkelijk landschap van roest en scheurend beton waartussen struik en onkruid lustig doorwoekeren. Uit de opgehangen megafonen klinken stemmen, die ongetwijfeld nog steeds aankomende en vertrekkende U-, en S-Bahnen zullen aankondigen lang nadat die treinen niet meer rijden.

Plotseling klonk het woord 'Torah' in Emanueles uitleg. Als bij toverslag veranderde zijn uiterlijk, en zag ik de verbeten concentratie die achter zijn werk stak. Vraag een Italiaan in Gods Naam niet of hij iets wil uitleggen. Hij zal voortdurend achter de vlinders aanjagen die uit zijn hersenpan vliegen. Ik vat samen: De woorden staan op zich. Ieder woord is van een ander woord gescheiden door een kleine ruimte. Ze hebben de mens nodig die deze ruimte overbrugt en zin geeft.

Als hij voorleest liggen er brieven voor zijn voeten, geadresseerd en gefrankeerd. Die laat hij liggen, en zouden opgeraapt moeten worden en verstuurd. De mens dient in dit geval om een verbinding tussen mensen tot stand te brengen. Er zijn er zes miljard. Maar met deze zes had Emanuele al een deel van zijn opdracht volbracht.

Dat klinkt heel erg diepzinnig en mystiek. Maar ik heb zo'n vermoeden dat het moment waarop de van nature zwaarmoedige, melancholisch gestemde westerse mens zich op weg begeeft naar dit mysterie, de vriend van de Torah luchthartig op zijn fiets stapt.

Gisteren waaide het trouwens en Maki had op de Turkenmarkt een paar stoffen gekocht, van die dunne, met mooie motieven en kleuren die aan de stilte van zondagen deden denken. Daarmee zijn we naar het dak gegaan. Ik bewoog als een stierevechter om de wind te vangen met de doeken, en Maki liep heen en weer met haar foto-apparaat en zei "Oh" en "So beautiful."

zondag, augustus 13, 2006

Een tijd lang was de vensterbank van mijn slaapkamer de plek waar mijn economisch bewustzijn zichtbaar werd. Ik werd daarbij geholpen door een Thailandees, mogelijk ook Vietnamees - ik heb hem of zijn vrouw nog niet zien dansen. Hij is de hele dag te vinden op hof twee, direct onder mijn slaapkamerraam. Aanvankelijk dacht ik uit zijn bewegingen op te maken dat hij marihuana of zo verkocht. Maar ik dacht dat omdat dat deel van mijn fantasie door de Nederlandse markt is verpest. Josephine maakte er illegale sigaretten van.

Inderdaad. De sigaretten worden op verschillende plaatsen in de struiken verstopt, en na iedere transactie naar een ander verstek gebracht. Ik volg zijn bewegingen vanaf drie hoog, zie hem om zich heen en ook omhoog kijken, en vervolgens een plastik zak in de okselholte van een vleesplant wegbergen. Ik verbeeld me dat al die bewegingen en het rondlopen een onzichtbare infrastructuur hebben geschapen, die gelijk is aan het straten- en stegenplan van een willekeurig dorp in zijn vaderland.

Voor zijn klanten is het ook spannend. Het zijn rokers. En als je ervan uitgaat dat de gemiddelde leeftijd van de roker rond de veertig ligt, bij uitersten van zestien en zesenzeventig, dan kun je aannemen dat de meeste klanten de DDR nog hebben meegemaakt. In de illegale transactie wordt een deel van de ondergrondse bedrijvigheid in het voormalige democratische Duitsland voortgezet.

Op de vensterbank lagen mijn munten, de grote en de kleine. In een klein tasje ernaast een twintig euro biljet weggestopt, want vrijliggend papiergeld staat slordig. Daarentegen hebben vrijliggende munten een magnetische werking. Helaas ook op de handen van een dief.

Dat was op woensdagochtend mijn bevinding toen ik opstond. Ik had alleen nog koperkleurig kleingeld. Mijn hart viel op de vloer en ging een eindje wandelen. Vier uur lang voelde ik me intens treurig. Gelukkig brachten Julian, met zijn verhalen uit de Australiaanse negorij, en onze nieuwe meebewoonster Maki met de verhalen over de klanken van Tokio, me weer terug.

Donderdag, Vrijdag, Zaterdag had ik optredens, die respectievelijk acht, negentwintig en weet nog niet hoeveel euro hebben opgebracht, (de drankkassa moet nog worden uitgerekend, daarna is het delen door tien, na aftrek van de benzinekosten). Ik kan weer een tijdje vooruit. Ik zou zelfs iedere dag een boek kunnen kopen. Voor 50 Cent. Alle zware Russen liggen rug aan rug in een houten bak. De boeken zijn solide en degelijk.

Mij wachten nog duizenden pagina's, want vandaag hoorde ik dat het de afgelopen winter heel koud was. Zo koud dat zelfs de neusharen bevroren.

woensdag, augustus 09, 2006

Ik heb veel kleingeld de laatste tijd, allemaal verdiend bij optredens. Een deel daarvan laat ik uit mijn hand in mijn broekzak glijden. Het is maandag. Ik zou eigenlijk naar Prenzlauer Berg moeten fietsen en op de kopieermachine een flyercompositie maken. Daarvoor heb ik een woord nodig waarvan 'klang' de eerste lettergreep is. Het schiet me niet te binnen.

De dag is fris en winderig, enigszins bewolkt. In de gang werkt een electricien. De voorbijrijdende trams fluiten soepel over de rails. De afgelopen nachten hebben de slijpers vonken uit het ijzer getoverd. Ik moet bij de post zijn om het pakje met ontrafelde cassettetape voor mijn klankkompaan Harold in Parijs af te geven.

Harold had ik eerder dit jaar in Parijs in het echt meegemaakt. Tijdens een wandeling zag hij een sliert cassetteband die om een lantaarnpaal was gewikkeld. Zijn begoeting ("Ah") vereende verbazing over uitblijvend resultaat met de zekerheid dat met iedere wandeling zijn voorraad tapesalade zou groeien. Later die dag jutte hij in de zoom van een van Parijs' snelwegen tussen de aangespoelde rotzooi.

Ik heb zin in de maandagkrant, laat in de kiosk mijn stuivers en centen achter en loop terug naar de fabriek. Een klein artikel op de onderste helft van de voorpagina valt me op. Onder het roodgedrukte 'Literatur' en een fotootje van een muslima met boekje en geheven fietsepomp en met een sneeuwwit kleed over het haar en ook over haar neus, haar wangen, haar mond, haar kin, haar hals, haar boezem (ze lijkt eigenlijk op een boze non die een fietsedief vervloekt) en onder weer een andere kop, ditmaal van letters die drie woorden vormen, volgt een inleiding op een boekbespreking.

Het gaat om de zelfmoordaanslagen en degene die zichzelf en anderen opblazen, de kamikaze als romanheld. Salman Rushdie, V.S.Naipaul en John Updike hebben zich over hem en haar ontfermd. En nu een Algerijn die de naam van zijn vrouw als pseudonym gebruikt. Ik moet aan mijn eigen boek over een Algerijns meisje denken.

De eerste versie daarvan was in 1999 klaar, de tweede definitieve versie om tien uur 's avonds op 31 december van het jaar 2000. Toen was de burgeroorlog in Algerije nog goed voor zo nu en dan een paar regels op pagina 7 van de krant. Ik koos de Algerijnse nationaliteit voor mijn romanfiguur, omdat ik een harde, maar ook mystieke en exotische achtergrond wilde. Ik had Kosovo of ex-Joegoslavie kunnen nemen. Daar zag ik van af; die landen waren door een overmaat aan mediaberichten romantechnisch gezien vervuild. Bovendien was ik er nooit geweest. In de woestijn wel.

Het boek Aisha zou in de maand april van het jaar 2001 verschijnen. Het moest echter eerst nog langs de redacteur. Ik kon me niet verenigen met zijn terroristische aanslag op mijn tekst en liet dat ook weten. Bij die discussie vielen woorden in plaats van klappen, vanwege de geografische afstand die ons scheidde. In een gesprek zouden we zeker tot een andere oplossing zijn gekomen dan die de uitgever Joost Nijsen uiteindelijk koos, en die was om van publicatie af te zien. Dat had meer met de kwaliteit van mijn karakter dan met de kwaliteit van het boek te maken.

Het gebeurde allemaal een paar maanden voor het media-event van de eeuw, dat de woorden 'terrorist' en 'terrorisme' aan het verplichte vocabulaire van de politici en de mediacraten toevoegde. De woorden komen in mijn boek niet voor. Ik zou ze ook niet gebruikt hebben. Joost is in de tussentijd een redelijk succesvolle uitgever geworden.

Uit nieuwsgierigheid bezocht ik de site van zijn uitgeverij. Het was lang geleden dat ik daar was aanbeland. Ik bleek een van de tienduizenden bezoekers te zijn. ik las zijn stukje, herkende zijn opgeruimd humeur, ook iets van de fijne glans van de parketvloer in zijn Amsterdams huis en kon me heel goed voorstellen hoe ontspannen het leven in de hoofdstad kon zijn, met zijn waterfietsen en de herengroepjes op het Spui, die met iedere ronde bier luidruchtiger werden.

Ik heb Joost altijd graag bezocht. Hij had er een talent voor om zijn gasten af te schermen voor de burele beslommeringen. Hij was luchtig in de omgang, grappig, soms onbehouwen grof, wat het nog grappiger maakte, omdat hij dacht dat het stoer klonk. Joost schrok helaas terug van zijn verantwoordelijkheid, en kon pas een besluit nemen na eindeloze ruggespraak. In mijn tijd waren die beruggespraakten niet van het niveau dat hij graag bij hen vermoedde.

Naar zijn website zal ik niet terugkeren. Die is te conservatief. Ik zou hem bij een volgend bezoek aanraden om er een online tijdschrift aan toe te voegen, een tijdschrift bovendien met een uitgebreid forum waar de literair aspirerende bezoeker zijn verhalen kan achterlaten. Een volgende stap is dat je in Toscane, of op Rottummerplaat een zomeracademie opricht waar de beste schrijvers uit het forum de fijne kneepjes van het vak worden bijgebracht door een auteur uit het fonds. Daarmee verdien je op zijn vijfhonderd-euro-per-weeks geld, en het levert mogelijkerwijs een bundel op.

Nou ja, Joost is op vakantie in de USA. Hij heb zijn zorgen en ik de mijne. Hoe ik rijk word van mijn ideeen, kunnen jullie in de komende maanden in deze blop lezen. Bij uitgeverijpodium.nl kun je de Boeken Top Vijf bijhouden.

donderdag, augustus 03, 2006

Lang voordat Garibaldi een standbeeld werd dat in elke stad en dorp in Italië te vinden is, was hij een kleine man in uniform op een paard die zijn leger aanvoerde om Italië te bevrijden. De plaats waar hij met zijn manschappen voor het eerst voet aan wal zette, is ergens aan de zuidkust van Sicilië terug te vinden. Na deze landing werd hij een bericht. Dit bericht bereikte op een goede dag in de zestiger jaren van de negentiende eeuw ook Sardinië. Daar zorgden de vissers en de schaapsherders, de vrouwen bij de waterbron, de rondreizende verkopers dat het nieuws eenieders oor bereikte.

Jonge mannen trokken er op uit om zich bij Garibaldi en zijn troepen aan te sluiten. Het zal ze niet allemaal zijn gelukt. Van één ervan weet ik het tamelijk zeker. De vorige week vrijdag stond zijn nazaat voor mijn neus. Het moet de zesde of de zevende generatie Garibaldizoekers zijn geweest. Hij had zijn geweer niet bij zich, maar droeg het uniform, dat vele malen hersteld, alleen in een enkele knoop nog als origineel te herkennen was.

"Of ik Rinus was," "Jazeker, en jij bent Marco"

We waren het allebei. Marco zou eigenlijk de donderdag zijn gekomen, maar die donderdag dacht hij dat het woensdag was, een kleine vergissing die ik hem gaarne toestond, te meer daar ik zelf dacht dat 2 september een woensdag was, en bovendien nog vier of vijf personen in mijn omgeving had meegemaakt die compleet het zicht op de kalender waren kwijtgeraakt.

Dus als de volgende week gevoelsmatig reeds deze week eindigt, dan kan het niet anders of er vindt een verschuiving in het tijdsbeeld plaats. Het is moeilijk te verklaren, maar zie het als een tentdoek dat over je hoofd is gespannen en nu begint dat doek te schuiven en je blijft zelf staan (terwijl de aarde om zijn as blijft draaien en om de zon en zo). Nu is dat tentdoek de tijd, en die schuift dus weg. Dat betekent dat hij verdwijnt of dat de schaduw ergens anders vandaan moet komen.

Een ander voorbeeld is de sok. De sok is sowieso al een object dat naar het mystieke neigt. Maar als de sok de tijd is en de ruimte ook dus, en je keert de sok langzaam binnenste buiten, dan kan best Garibaldi daar uit te voorschijn komen, en is die zoektocht van Marco nog helemaal niet zo merkwaardig.