maandag, november 13, 2006

De zaterdag in Leipzig is een mooie regenachtige dag, een zonder wind, de temperatuur nog redelijk behaaglijk onder de dikke jas. In het park springen de regendruppels op van de bladeren. Ik blijf staan en luister. Een hoorn bestijgt de toonladder, valt na een paar sporten terug op de begane grond. De muziekschool verschuilt zich achter stijgers die met een dokterswit zeil zijn toegedekt.

Hier de muziekschool, daar de akademie voor schone kunsten, ernaast de technische universiteit, gebouwen als welgestelde touristen- een duitser die zijn kleren in Italie koopt. Verderop aan de rand van het hele grote park met de richtingwijzers die je negen kilometer ver sturen, staan grote logge villa's, hun tuinen overgroeid, de ramen ingegooid, de eens stenen balustrade vervangen door een roestig hek. De buren in hun vijftig meter hoge torens zijn er beter aan toe. Hun zicht zweeft over boomtoppen, langs vergulde kerktorens in een ver vlak land dat geen symmetrie kent, slecht een enkele bosrand ontmoet.

Het oversteken van de straten bij een kruispunt zorgt voor een vreemde gewaarwording. De vluchtheuvels ontbreken: de tramrails liggen in het asfalt ingebed. ik denk aan een strand waar de wering ontbreekt en bij sterke vloed het zeewater de boulevard overspoelt.

Op weg naar het station vraag ik Patrick naar een dorp zo'n zeventien ICE-minuten van Leipzig verwijderd. De naam schiet me niet te binnen. "Lutherstadt Wittenberg?" Ik bied 'Bittenberg met een B.' "Bitterfeld!"
In DDR-tijd was het het centum van de chemische industrie. Na de wende is bijna de gehele bevolking er weggetrokken. Een paar fabrieken werken nog. Toen alles nog vol in bedrijf was, hing een zwarte wolk boven de stad. Op sommige verlaten terreinen heerst rookverbod. De bodem is volgezogen met licht ontvlambare chemicalien.
Hij zegt dat ik daar makkelijk een fabriek kan nemen, als studio en om te wonen.
"Maar dan moet je wel een duikerspak aantrekken."