donderdag, september 21, 2006

De weg naar Rostock herinnerde aan de lange aankomst in Bilbao: hetzelfde verlangen naar de stad achter de horizon, hetzelfde motorgezang in mijn oren en hetzelfde licht dat uit zee naar het landschap werd gebracht. En dan ziet het bij aankomst toch allemaal anders uit. De bergen zijn teruggeplooid, nauwelijks bemerkbare glooien uiteindelijk weggestreken, en daar doemt het in de middagnevels: een stad met middeleeuwse speerpunten die in de wolken steken.

De volgende dag bleken die speerpunten de uiterst spitse daken van de kerken. Na lang turen zag ik een smalle weg die in het blauw verdween. We (de jongens van Radikal Satan en ik) overnachtten in een bijeengewaaide huttenbouw, op een terrein waar een uitgebouwde camper en een zwartgeverfde woontruck staan. Daar bomen en struiken, de wanorde van zee, een gemelancholiseerde Duitse herder en een bruingevlekte Dalmatiër. Tijdens de korte stadswandeling krijg ik de indruk dat de stad door jutters is gebouwd, ook al zijn de fris gekleurde huizen van damals gefinancierd uit de handel.

In de keuken fladderen de kranten. Politieke discussies worden gevoerd, maar niet van harte. Mecklen-Vorpommern wordt bescheten door de achterneefjes van oom Adolf. Hun folders met de wervende teksten ademen een Jehova's getuigen geest, daaraantoe gevoegd de stem van de jonge manager, die halverwege zijn beheersing verliest en begint te sneren.

Wij komen na middernacht in de keuken. Jonathan bakt, de Argentijnen doen allerlei overbodigs, iedereen maakt een prettige rotzooi, waarin het gezellig eten is. Na afloop worden de sporen gewist.

Het reizen is ontspannend. De optredens in een rood vuur van lampjes en kertsverlichting gedompeld: de suggestie van immigranten, de suggestie van Buenos Aires, de suggestie van lang geleden. Ik word ten tweede male begroet
met hosanna, omdat ik uit Nederland kom. De aangetrouwde oma ( de vrouw van de broer van de echte oma) is Nederlandse. Ik geloof niet dat een andere verklaring er toe doet.

In Rostock hebben we drie wegwerpcamera's gekocht voor drie euro. "Rinus, foto, foto" klinkt herhaaldelijk. Jonathan, Cesar en ik nemen het apparaat en schieten op hetzelfde moment een foto van elkaar, waarna we de camera's wisselen.

In Hamburg regent het. De Astra-stube is onder een ijzeren plafond, de brug waarover de U-Bahn rijdt. Het regent. We zitten op het stoepje zonder te wachten en luisteren naar het verkeer. Hoe het stil wordt, hoe de auto's afremmen, weer optrekken en voorbijrijden over het natte asfalt. Het gegier van de U-Bahn keert iedere tien minuten terug als refrein.

Na het concert hoor ik het levensverhaal van een vrouw die al twee dagen door de straten doolt. Ze draagt geen schoenen, ze is dronken, haar vriend heeft haar ogen dicht geslagen, ze drinkt mijn Jägermeister, en ook die van Jonathan, wil dat ik haar kus, wil dat ik haar omhels, wil dat ik met haar meega. Haar vriend is in een psychiatrische inrichting, ze hoeft hem nooit meer te zien. Voordat ik in de bus stap vraagt ze of ze nog mooi is.