woensdag, juli 19, 2006

Ze was mijn laatste hoop op een finaleplaats geweest. Ik bedoel, op een kaartje om de finalewedstrijd van het afgelopen afgelopen WK. te zien. Ze werkt namelijk op het kantoor van de Italiaanse boodschappenjongen, die zelf uiteraard wel is gegaan, al was het om de schoenen van Prodi te mogen kussen en Totti van dichtbij in de ogen te mogen kijken.

Ze zei ook dat ik op de boodschapper leek, maar hoe precies zei ze niet, want wij zijn goede vienden, zij en ik. De boodschapper is geen goede vriend van haar en zal dat ook nooit worden. Het enige dat ik echt van hem weet, is dat zijn naam geschikt is als merk van krachtvoer voor postduiven: Puri Purini, en dat hij geregeld overstuur is als hij haar ziet.

Gisteren belde ze me. Ik zat op het dak van de Fabriek en had de hele dag naar dat moment verlangd. De dag was zo lamleggend warm geweest, dat ik geen zin had gehad om naar het centrum te fietsen. Ik moest Geert Jan nog vragen wat hij precies zou spelen. Zijn zaak in de Torstrasse is sowieso een prettige oase. Er heerst een ouderwetse chaos. Met ouderwets bedoel ik houten panelen, dozen, stoelen, twintig jaar geleden en activiteiten die na vijf minuten worden onderbroken om iets anders te doen. Dat alles met een Amsterdams accent.

Omdat ik vanaf het dak van de Fabriek in de ronde kan kijken, en zo zie hoe groot Berlijn eigenlijk is, vroeg ik haar haar hand uit het raam te steken. "Je zult me hoogstwaarschijnlijk niet zien, ik ben in Rhmmhmmdorf." Dat was een dorp ten noorden van Berlijn. Ik vroeg haar of het achter de torens van Marzahn lag. Dat was noordwest. Zij was in Noordoost. Ach ja DDR-meisje. Achter de bossen? Maar ze zag geen bossen.

De woontorens van Mitte lagen in een oranje gloed. Iemand schreed met zwevende passen over het dak. De resten van het bord spaghetti koelden langzaam af en ik hoorde dat ze het meende met haar ziekteverlof. Ze liet zich door haar vader verzorgen en moest een antibioticakuur volgen. Ik ook. Zaterdag was ze weer thuis in Friedrichshain. Of ik langs wilde komen. Zeker, zei ik, dan kunnen we elkaar de bijsluiters voorlezen. En toen ging het nog een hele tijd over die pillen. Totdat ze zei dat we beter konden ophangen, want we leken net twee oudjes die over hun medicijnen spraken.

Vijf minuten later keek ik naar de sterren. Het was elf uur en het moest nog steeds helemaal nacht worden.