vrijdag, juli 07, 2006

Met dit weer vervloeit de herinnering aan het WK. Mijn wedstrijden duren steevast twee halve liters bier. Overdag veroorzaakt de geringste beweging een zweetuitbarsting. Gisteren kwam dan eindelijk het onweer. Ik had een afspraak in Prenzlauer Berg, en dat bleek ineens vijfentwintig minuten dichterbij te liggen nu ik mijn remmen kan gebruiken.

Of ik met deze supersonificering van mijn rollend bestaan blij moet zijn weet ik niet. Er zijn dagen dat ik ervan dagdroom met een paard en wagen onderweg te zijn. Al vraag ik me dan steeds af wat ik aan het eind van de dag met het paard moet doen. Voortbewegen werd anders met de uitvinding van de auto. Ik kan me voorstellen dat paard-en-wagen rijders hun voertuig trouw zijn gebleven tot kort na hun laatste snik.

Gisteren kwam mijn snelheid me wel van pas. Ik hield doorlopend het zwerk in de gaten, zag donkere wolken, hoorde gerommel en aan het einde van de straat bliksemde het zowaar. Donder in juli, dacht ik fietsend, terwijl Duitse vrouwen op mountain-bikes me inhaalden, dat is nog eens wat. Het voerde me terug naar het mijmerend bestaan van de voetballer, naar de tussenseizoense pauze en naar de eerste kriebels om maar weer eens te gaan trainen. Heimwee drijft je naar het veld. Daar staat een grassproeier, of een terreinknecht loopt geconcentreerd over het veld. Ineens is het heel erg zomer.(Die hier in Berlijn trouwens naar Lindenbloesem ruikt.)



Ik kwam voor de bui aan. Het onweer barstte pas los toen we hoog in K77, in de bibliotheek, als jonge revolutionairen bij elkaar zaten. Niet bij de stencilmachine, maar voor de laptop om een aankondiging voor de optredens van volgende week te bedenken. En weer eens bier te drinken.