dinsdag, juli 11, 2006

Ik lig weer eens op sterven. De reden daarvoor is niet dat ik de wedstrijd om de derde plaats niet niet heb gezien, want ik heb hem niet wel gezien, ten eerste omdat ik er geen zin meer in had en ten tweede omdat ik me wilde douchen, dus toen ik na de 2-0 weer voor de treurbuis hing, drong het niet tot me door dat ik naar een 'tolles spiel' zat te kijken. Het duurt allemaal een beetje te lang. Mijn biologische voetbalklok zegt dat het WK al sinds drie weken voorbij is.

De reden voor mijn komende dood is ook niet terug te voeren naar de viering na de wedstrijd die ik niet niet heb gehoord en zeer zeker niet wel: de afstandsbediening heeft een 'houjekop-knop' en die drukte ik in, toen bleek dat de stadionregisseur zich met het geluid ging bemoeien. Het partygeluid wilde ik niet horen. En dus heb ik het ook niet gehoord, behalve af en toe, om te controleren of het publiek eindelijk zijn helden mocht toejuichen. Niet dus.

De mensen in het stadion wilden blijkbaar al die liedjes horen en meezingen en meeklappen, en de spelers ook. Klinsmann weet ik niet; ik geloof dat hij iedereen wilde omhelzen, wat Platini niet toestond ( hij waarschuwde Jürgen net op tijd dat zijn chronische gastritis ervoor had gezorgd dat die lucht nu ook in zijn kleren hing, en geen stomerij het kon wegkrijgen) en de bondskanselière weer wel, allerhartelijkst zelfs. En Franz ook natuurlijk. Franz! Daarna wilde Klinsmann eigenlijk de tribune op om iedere toeschouwer persoonlijk te omhelzen. Dat kon niet dus koos hij voor een soort eeuwigheidsomhelzing, waardoor de vier kameraden van de DFB zowaar op een Duitse Rolling Stonescoverband leken.

Ik heb ook geen longontsteking opgelopen van het grote onweer dat Berlijn afgelopen vrijdag trof. Dat was zelfs leuk om te zien. Ik stond in de Kastanienallee in de ingang van een kapperszaak, waar hele blonde dames werkten die allemaal een klimop op hun arm hadden getatooeerd. De herenkappers zagen er post-chillig uit en de muziek was club, bum bum, wat natuurlijk in het niet viel bij het grote BUMBUM in de Berliner Luft.

Had Maria die ochtend niet geklaagd in de fabriek? Ik trof haar bij de schoonmaak. Niet bepaald het ideale weer, zei ik, want ik ben ook in het echt heel gezellig. Ze keek me aan met zo'n uitdrukking op het gezicht die een warm laagje zweet op het lichaam liet vermoeden, maar dan als gevolg van prettigere bezigheden. Ik keek naar haar mond terwijl ze bij de geopende deur van haar atelier voordeed hoe ze verlangde; ze demonstreerde hoe ze 's ochtends uit haar bed kwam, aan het raam ging staan en
de regen op haar gezicht voelde.

Die kwam in bakken uit de hemel. Het knetterde en het bliksemde en de donder rolde over de daken. De wind kwam van links en van rechts en van voren. Zelfs in de ingang van de kapperszaak werd ik nat. De blije regenvereerders waren allang vervangen door de doorbijters: tot op het bot doorweekte thuiswaartsfietsers en meiskes die blootsvoets voorbijliepen. Een struise moeder kondigde zich met een welgemeend 'scheisse' aan. Ik zag een kinderwagen, zware Alditassen aan de handgreep en een bibberend dochtertje, dat ernaast danste. Ze stuurde de kinderwagen vaardig de rappen op. Een betentakelde knipster rende naar achter en spoedig keken glimmende oogjes onder een blauwe handdoek uit.

Mijn sterven is ook niet het gevolg van een hartstilstand die ik dezelfde avond kreeg, toen bleek dat mijn 4tracker uit het Japanse Pleistosonisch tijdperk met het zoveelste euvel zijn naderend einde aankondigde en allerlei hikkende geluiden produceerde die ik helemaal niet zo had gedacht. Zoiets gebeurt, en een gegeven Fostex moet je ook twee jaar na aankomst niet in zijn cassettehouder kijken, dus, dat ging nog allemaal. Het was een gezellige en bovendien geslaagde avond, vol van magnetisch overgeleverde geluiden uit de negentiende eeuw, die door het ruimschoots toegestroomde publiek hooglijk werd gewaardeerd. Bravo Seamus! Danke Ute + Patrick en ook Laurent bedankt, en Ansgar voor het afstaan van zijn tweelingtorenluidsprekers.

Ik lig op sterven omdat ik voor de tweede achtereenvolgende zomer door een teek ben gebeten. En daaraan ga je dood. Daniele die de eerste teek met een knijptang heeft verwijderd, gaat niet dood. Bij elke tekenplaag vertelt hij hoe hij ooit een bad heeft genomen in een bergstroom en bij thuiskomst over de dertig teken op zijn lichaam had. Ik één, nog niet eens van een verkwikkend bad, maar van de kat en die (de teek) was al flink dik en zat op een plek, die je niet vaak ziet in de spiegel (achterkant oksel, en niet onderkant zak, waar de arme Carlo er een vond toen hij 's nachts uit zijn slaap schrok.) Plaag, vooral in Italia, waar je wordt aangeraden naar het ziekenhuis te gaan, want...en...echt!

De Duitse dierenarts zei toen dat ik een grote hond was, omdat ze niet aan mensen recepten mocht uitschrijven, wat eigenlijk vreemd is omdat je dierenrecepten in een mensenapotheek moet inleveren. Als je dan in de apotheek komt, tref je een apothecaresse die je meewarig en toch begrijpend aankijkt. En naar je hond vraagt. De toenmalige antibioticakuur heeft me genezen.

Morgen begint een nieuwe periode in mijn leven.