dinsdag, juli 04, 2006

Eerst de geschiedenis van een maaltijd: De modemaakster die in de westvleugel van de fabriek uren aan haar trapnaaimachine doorbrengt, trof ik in de keuken aan. Ik was van plan een snelle witlofsalade te maken en vervolgens op de fiets te springen en met doodsverachting de lange weg naar de Club der Polnischen Versager in Mitte te wagen,( de remmen van de fiets doen het niet.) In een steelpannetje dreven zes plastic balletjes met een vreemde inhoud. Het waren Klöden: brood, vet, kruiden, uien, en Brühe waarvan de Nederlandse vertaling me even niet te binnen schiet. Of ik ook twee Klöden wilde. Na ja, waarom niet. Rode kool, misschien? Heu, okay. Daar liep ik met mijn schaaltje witlofsla. Dus zullen we ook maar samen eten?

De geschiedenis van de maaltijd begon op de binnenhof van het fabrieksgebouw. Daar is een duurdere goedkopere supermarkt en een goedkopere goedkope supermarkt, de Aldi. Ze was eerst met 1,12 euro in de duurdere, vond daar niets, en moest toen naar de Aldi waar ze een karton klöden en een glas rode kool vond en zich tussen de schappen met kartonnen voedsel zeer arm voelde. Maar goed, voor even meer dan een euro at je toch maar mooi drie dagen.

Toen het voetbal, want je ontkomt er niet aan daarover te spreken. Ze had er geen voeling mee. En toch was ze in een stadion geweest. Ik dacht nog, okay, meisje uit Hessen, dat op haar veertiende met vrienden naar Maastricht treint om marihuana te roken, zal ook wel eens een wedstrijd in een stadion hebben gezien met een vriendje dat zo nodig moest. Al echoode dat stadion, toch iets anders na.

Ja, het was een verjaarscadeau geweest. De vriend van haar zus werkte bij een sponsor (= de firma die vier jaar geleden ZuidKorea's plaats in de halve finales heeft gekocht), en die had sponsorkaarten. Ze had de hare voor 600 euro kunnen verkopen. Ze was bij Brasil-Hroazia geweest, had zich een Hroaatse uil ("Den es nicht gibt") op haar ene wang, en de Braziliaanse vlag op de andere laten schilderen bij een schminkstand.

De eerste drie seconden waren geweldig geweest met die 70.000 mensen in het Olympisch Stadion. Maar daarna was het saai. Ik herinnerde me de luidruchtige Hroaatse aanhang: "Maar?" Ach, ze hadden drie liedjes gezongen en dat was het. Ze verontschuldigde zich, zei dat ze geen aanleg had voor voetbalenthousiasme. En carnaval vond ze ook verschrikkelijk.

Ze was ook op de fanmijl geweeest omdat ze haar broer daar moest afhalen. Alweer met oorlogskleuren op haar wangen en deze keer ook nog eens een mannenvoetbalshirt aangetrokken voor de sfeer. Het had niet gewerkt. Daarna hebben we het snel over andere dingen gehad, zoals chocolade, sigaretten en koffie.

De avond was ik in de Auguststraße, trof daar Arthur, die het pas extra verdrietig vond van de uitschakeling, toen hij ontdekte dat vanderSar en Cocu op exact dezelfde dag geboren waren als hij. Het is geloof ik ook sinds 1974 het eerste compleet witte elftal, zei hij verbaasd.
Ik zei hem iets over de vriendelijke tuinfeestapartheid van de Perschef, en noemde daarbij diens naam.
Op het antwoord van Arthur kan ik alleen maar jaloers zijn: "Wie is dat?"

Rinus